Een API definieert de toegang tot de functionaliteit die erachter schuilgaat. De buitenwereld kent geen details van de functionaliteit of implementatie, maar weet dankzij de API wel hoe deze kan worden aangesproken. Een voordeel hiervan is dat met een API meerdere implementaties benaderbaar zijn, zolang deze maar voldoen aan de API.

Een voorbeeld van een generieke API is de WIN32-API van Windows. De onderliggende implementatie kan per machine verschillen, zonder dat de applicatie dit eigenlijk merkt: zowel Windows 98 als XP werkten met de Win32-API.

Een API kan worden beschreven in IDL (Interface Definition Language). Dit wordt vooral gebruikt als meerdere programmeertalen van dezelfde API gebruik moeten maken of als er wordt gewerkt met een componentensysteem, zoals COM of XPCOM.

Soms wordt als synoniem voor API de benaming bibliotheek gebruikt, maar dit is niet helemaal juist; een API vormt de toegang tot de bibliotheek. De API is daarbij de definitie van functies en andere objecten die in de bibliotheek beschikbaar zijn voor de applicatie.

Het is steeds gebruikelijker dat ook websites over een publieke open API beschikken. Deze is dan benaderbaar via een methode als SOAP, RSS of XML/RPC. Het formaat dat wordt teruggestuurd kan dan bijvoorbeeld XML of JSON zijn. Door een dergelijke API beschikbaar te stellen is het mogelijk om een mash-up te maken, zoals een combinatie van de kaarten van Google Maps met de foto’s van Flickr. Dergelijke toepassingen zijn typisch voor de zogenaamde Web 2.0-gedachte.

Heb je het antwoord gevonden?